“Het moet van binnen komen.” “Als hij niet intrinsiek gemotiveerd is, gaat het toch niet lukken.” “Zij wil gewoon niet.” Herken je deze uitspraken? In het sociaal domein hoor je ze dagelijks. Motivatie lijkt dan iets mysterieus: het is er, of het is er niet, en jij staat er als professional machteloos naast.
Gelukkig klopt dat beeld niet. Motivatie is geen kwestie van geluk of karakter. Als professional kun je er in ieder gesprek invloed op uitoefenen. Sterker nog: motivatie is een A, B, C-tje. In deze serie van drie artikelen leg ik uit hoe dat werkt, telkens met praktische voorbeelden die je morgen kunt gebruiken.
Motivatie is geen magie
De onderzoekers Deci en Ryan ontwikkelden een even praktische als goed onderbouwde theorie over motivatie: de zelfdeterminatietheorie. De kern is verrassend eenvoudig. Mensen raken gemotiveerd en komen tot groei wanneer aan drie psychologische basisbehoeften wordt voldaan. Die behoeften zijn universeel: ze gelden voor iedereen, ongeacht achtergrond, opleiding of cultuur. Dus ook voor de inwoners en cliënten die jij begeleidt, en net zo goed voor jouzelf.
- A van autonomie: invloed hebben op je eigen leven en keuzevrijheid ervaren.
- B van betrokkenheid (verbinding): erbij horen, ergens onderdeel van zijn.
- C van competentie: vertrouwen hebben in je eigen kunnen.
Hoe beter jij in je gesprekken aan deze drie behoeften tegemoetkomt, hoe groter de kans dat iemand in beweging komt. In dit eerste deel zoomen we in op de A van autonomie.
De A van autonomie
Autonomie is de behoefte om zelf keuzes te maken en invloed te hebben op wat er in je leven gebeurt. Voor jouw gesprekken betekent dit: de ander bepaalt zoveel mogelijk zelf de doelen en geeft de aanpak mede vorm. Niet jij weet wat goed is voor de inwoner, de inwoner weet dat zelf. Jij bent de gids die helpt om dat helder te krijgen.
Mensen komen niet in beweging omdat het moet. Mensen komen in beweging omdat ze zelf kiezen.
Waarom “moeten” weerstand oproept
Let maar eens op hoe vaak het woord “moeten” in gesprekken voorbijkomt. “U moet deze formulieren inleveren.” “Je moet echt aan de slag met je schulden.” Iedere keer dat iemand iets moet, komt de autonomie in het geding. En dan gebeurt er iets voorspelbaars: de hakken gaan in het zand. Wat wij weerstand noemen, is vaak geen onwil. Het is een gezonde reactie op het verlies van keuzevrijheid.
Zo versterk je autonomie in jouw gesprekken
Autonomie versterken klinkt abstract, maar het zit in kleine, concrete keuzes in je gespreksvoering. Een paar voorbeelden uit de praktijk:
- Begin het gesprek met een open vraag als: “Wat wilt u in dit gesprek in ieder geval bespreken?”
- Bepaal samen de agenda, in plaats van jouw lijstje af te werken.
- Vraag toestemming voordat je een gevoelig onderwerp aansnijdt: “Vindt u het goed als we het ook even over uw financiën hebben?”
- Benoem regelmatig dat iemand keuzes heeft, ook als de opties beperkt zijn.
- Wees nieuwsgierig en vraag door, in plaats van meteen adviezen te geven.
- Laat de ander zelf beoordelen of een oplossing past: “U weet het beste wat bij uw situatie werkt. Hoe klinkt dit voor u?”
Het resultaat merk je vaak direct aan tafel. Minder discussie, meer openheid en een gesprekspartner die zelf gaat nadenken in plaats van afwacht wat jij beslist. Precies daar begint eigenaarschap.
Hoe verder: de B en de C
Autonomie is de eerste van drie basisbehoeften. In deel 2 van deze serie lees je hoe je werkt aan de B van betrokkenheid, en in deel 3 hoe je de C van competentie versterkt. Wil je hier samen met je team mee oefenen? In onze trainingen Motiverende gespreksvoering en stress-sensitief werken passen we deze principes praktisch toe op jullie eigen casuïstiek.
Bron: Deci, E.L. & Ryan, R.M. (2018). Self-determination Theory.